Historie
3 maart 1942
Het verhaal van eerste luitenant-vlieger-waarnemer Danilo Alexander Hendriksz, vader van KEINA-voorzitter Daan Hendriksz. Hij kwam op 26-jarige leeftijd om toen zijn Douglas DC-3 tijdens de evacuatie van Java werd neergeschoten boven de kust van West-Australië. Zijn zoon werd zeven maanden later geboren en heeft hem nooit gekend.
Danilo Alexander Hendriksz werd geboren op 25 december 1915 in Koetaradja, het huidige Banda Atjeh, destijds de hoofdplaats van Atjeh op Noord-Sumatra. Zijn vader, D.W.A. Hendriksz, was administrateur-planter op de onderneming Lho Kroët. Daar bracht Danilo zijn eerste jaren door. Later verhuisde het gezin naar Java, waar zijn vader de leiding kreeg over de cultuurmaatschappij Pasir Awie bij Soekaboemi.
Uit die tijd stamt een klein en toevallig spoor. In een briefrubriek voor meisjes in een krant uit Semarang van 23 maart 1935 doet een lezeres de groeten aan “de fam. Hendriksz en aan Danilo”. Een paar regels eerder gaat het in diezelfde rubriek over een opstel over de Pelikaan, het KLM-toestel dat in 1933 beroemd was geworden met de Kerstvlucht naar Indië. Het was een Fokker F.XVIII, een ander vliegtuig dan de Douglas DC-3 waarin Danilo zeven jaar later zou omkomen, maar de naam “Pelikaan” werd later hergebruikt.
Op 15 mei 1935 werd Hendriksz opgeroepen voor zijn dienstplicht bij de 1e afdeling veldartillerie. Op 10 oktober van dat jaar werd hij kanonnier eerste klas en seiner eerste klas. Op 27 oktober ging hij met groot verlof: zijn zes maanden zaten erop.
Zijn vader had inmiddels andere plannen. Die wilde in Zuid-Frankrijk een rozenkwekerij beginnen en de oogst leveren aan de parfumhuizen van Grasse. Danilo zou het bedrijf later overnemen en vertrok naar Brussel om landbouwkunde te studeren. Maar wat hij daar leerde botste met de opvattingen van zijn vader, die het vak in Indië op de oude manier had geleerd. Danilo koos voor zijn militaire bloed: hij wilde terug naar Indië en vlieger worden.
Op 26 april 1939 werd hij aangenomen als vlieger voor overzeese militaire dienst. Hij werd ingedeeld bij de Prins Hendrik Kazerne aan de Daalseweg in Nijmegen en op 8 mei geschikt bevonden voor uitzending. Op 19 mei 1939 scheepte hij in te Amsterdam aan boord van het stoomschip J.P. Coen. Op 17 juni liep het schip Tandjoeng Priok binnen, de haven van Batavia. Hij was toen 23 jaar oud.
De vliegopleiding op vliegbasis Kalidjati begon op 1 juli 1939. Hendriksz werd op 29 juli ingedeeld in klasse B, met lessen van half tien tot half twaalf onder instructeur S.M. Kranenburg, op een Koolhoven FK-51 met registratie K.33. Op vrijdag 3 november 1939 haalde zijn groep het klein militair vliegbrevet en werden zij benoemd tot aspirant-onderofficier-vlieger. Via de rang van sergeant-tweede bestuurder werkte hij zich in korte tijd op tot eerste luitenant-vlieger-waarnemer bij de Militaire Luchtvaart van het KNIL (ML-KNIL). Hij vloog op de Glenn Martin B-10 bommenwerper en maakte de eerste aanvallen boven Tarakan mee. Eind 1941 werd de ML-KNIL ook ingezet bij de verdediging van het Britse Singapore: Nederlandse bommenwerpers en jagers opereerden vanaf vliegveld Kallang om de Japanse opmars vanuit Malakka te helpen stuiten. Zijn verdere opleiding volgde hij op vliegbasis Andir bij Bandoeng, waar hij ook een tijd woonde.
Begin maart 1942 was de Japanse opmars op Java niet meer te stuiten. Op 8 maart zou op Kalidjati de capitulatie worden getekend. In de weken daarvoor werden de laatste militairen geëvacueerd naar Australië. Het parel- en parelmoerstadje Broome aan de noordwestkust was daarbij het knooppunt. In de twee weken vóór 3 maart passeerden er talloze militairen uit Java, en de haven diende als tankplaats voor vliegboten en vliegtuigen. Hendriksz behoorde tot de vliegers die vanuit Australië de strijd zouden voortzetten, waarschijnlijk bij het op te richten No. 18 (Netherlands East Indies) Squadron of doorzending naar Fort Jackson in de VS.
Kort voor zijn vertrek was hij getrouwd met plantersdochter Jacqueline, waarschijnlijk in Bandoeng. Wat hij bij het afscheid tegen haar zei, is bewaard gebleven: “Jij moet hier blijven, want ik denk dat ik het niet overleef.” Danilo wist dat zij twee maanden zwanger was van hun zoon Daan. Hij voelde zich desondanks verplicht om te gaan.
In de nacht van 2 op 3 maart 1942, om 01:15 uur, vertrok een Douglas DC-3 met registratie PK-AFV en de oude naam “Pelikaan” van de KNILM vanaf vliegveld Andir bij Bandoeng, met bestemming Broome. Het toestel werd gevlogen door kapitein-vlieger Iwan Smirnoff van de Militaire Luchtvaart van het KNIL, die voor de oorlogsinzet was overgeplaatst van de KLM. Hij werd bijgestaan door marconist Muller en boordwerktuigkundige J. “Joop” Blaauw. Als vracht waren vliegtuig- en radio-onderdelen geladen, bestemd voor de KNILM in Australië.
Smirnoff noteerde de passagierslijst later zelf. Aan boord waren vijf vliegers van de Nederlandse luchtstrijdkrachten in Indië: luitenant-vlieger D. Hendriksz, de sergeant-vliegers G.D. Brinkman, L.H. van den Burg en H.H. Gerrits, en reserve-vaandrig-vlieger P.A. Cramerus. Verder de KNILM-functionaris H. van Romondt.
Er was daarna nog één plaats over. Die ging, na rijp beraad, naar Maria van Tuyn, wier man als sergeant-vlieger al in Australië diende. Haar zoontje Johannes van anderhalf jaar reisde bij haar. Zij kreeg de enige echte stoel, achterin; de rest zat op de houten vloer.
De motoren draaiden al toen de cabinedeur werd opengetrokken. Vliegveldchef Wisse werkte zich naar voren, boog zich over Smirnoff heen en schreeuwde hem in het oor dat hij een pakketje bij zich had dat hij goed moest opbergen, omdat het van grote waarde was. In Melbourne zou iemand van de Australische Commonwealth Bank het komen ophalen. Het was langwerpig, ongeveer 25 bij 10 centimeter, goed ingepakt en overdekt met lakzegels. Smirnoff borg het op in een kastje, bij zijn tas met vertrouwelijke documenten, en startte.
Wat erin zat wist hij niet. Het waren duizenden geslepen diamanten met een geschatte waarde van £300.000, die uit handen van de Japanners moesten blijven.
Dat er boven dit stuk kust Japanse jagers zouden opduiken, was allerminst vanzelfsprekend. Binnen zes uur vliegen lag geen enkele Japanse basis waar getankt kon worden. De toestellen kwamen van vliegbasis Koupang op Timor, die de Japanners hadden ingenomen, en voerden extra brandstoftanks mee. Ze hadden de Nederlandse vliegbasis bij Broome bij een eerdere verkenningsvlucht opgemerkt en kwamen een dag later terug om die te bombarderen. Op de terugweg stuitten drie Mitsubishi A6M2 Zero-jagers van het 3e Kokutai op de ongewapende Dakota. De formatie stond onder leiding van luitenant Zenjiro Miyano, met sergeant Takashi Kurano en soldaat Zempei Matsumoto als vleugelmannen.
Op 3 maart 1942, omstreeks 09:00 uur, naderde de PK-AFV de kust van West-Australië, zo’n 80 kilometer ten noorden van Broome aan de afgelegen Kimberley-kust. De Zero’s vielen zonder waarschuwing aan vanaf bakboordzijde. De kogels doorzeefden het aluminium toestel en de bakboordmotor vloog in brand.
Smirnoff werd geraakt in zijn linkerarm, kort daarna in zijn rechterarm en vervolgens in zijn dij. Hij dook bijna verticaal omlaag, kreeg het toestel op nauwelijks zestig meter boven de duinen weer horizontaal en kreeg tot zijn eigen verbazing het onderstel uitgeklapt. Twee minuten later stond de Douglas op het strand van Carnot Bay. In de laatste seconden van het uitrollen sprong de rechterband, geraakt door een kogel, met een knal uiteen. Het toestel zwaaide naar de golven en reed de zee in. De eerste aanrollende golf doofde sissend de vlammen uit de linkermotor.
De drie Zero’s bleven daarna nog ongeveer tien minuten rondcirkelen en schoten band na band leeg op het wrak en op de mensen die eruit probeerden te komen. Pas toen hun munitie op was, verdwenen ze.
Zes van de twaalf inzittenden waren niet of nauwelijks geraakt. Zij droegen de gewonden naar de duinen en maakten daar van uitgevouwen parachutes, over de takken van de struiken gehangen, een primitieve tent tegen de zon. Met wat er in de verbandkist zat legden ze noodverbanden aan. De beide benen van Blaauw werden gespalkt; één knie was verbrijzeld, de andere zwaar gewond. Uiteindelijk kregen de gewonden morfine-injecties, waardoor hun lijden iets werd verzacht. Aan drinkwater bleek negen liter aan boord te zijn geweest.
Enkele uren na de landing overleed Danilo Hendriksz. Hij werd 26 jaar oud. Op het strand, niet ver van het toestel, werd hij begraven.
Later die dag vroeg Smirnoff aan Van Romondt om het pakketje uit de cockpit te halen; zijn eigen armen waren te stijf van de wonden. Van Romondt, de forsste van de mannen, worstelde zich aan boord van het inmiddels vollopende toestel en vond het. In de deuropening, op het moment dat hij zich in het water wilde laten zakken, sloeg een golf hem uit balans en spoelde alles wat hij droeg weg. Smirnoff schreef later dat het behoud van mensenlevens hem op dat moment zwaarder woog dan het terugvinden van het pakket.
Diezelfde dag overleed Maria van Tuyn, zonder bij kennis te zijn gekomen. Ook zij werd ter plekke begraven.
Terwijl de Pelikaan nog onderweg was, hadden tien Japanse toestellen, negen jagers en een verkenner, die ochtend het vuur geopend op Roebuck Bay en het vliegveld van Broome. In de baai lagen vijftien grote vliegboten, vol met Nederlandse familieleden en nazaten van Nederlandse families uit Java. Alle vijftien gingen verloren, samen met een reeks geallieerde vliegtuigen op de grond. Kort daarna werd ook een Amerikaanse B-24 Liberator neergeschoten die net was opgestegen met voornamelijk gewonde militairen aan boord. Daarvan overleefde één man.
Schattingen van het aantal doden lopen uiteen van ongeveer 88 tot rond de honderd, uitsluitend Nederlandse vluchtelingen, onder wie veel vrouwen en kinderen. Precieze cijfers zijn er niet, omdat van veel evacués geen passagierslijst bestond. Het was een van de zwaarste aanvallen op Australisch grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Op het strand werd het onhoudbaar heet. Smirnoff verplaatste het kamp naar een bosje een kilometer landinwaarts; de zwaargewonden bleven bij de parachutetent achter. Een uur voor het donker ging de eerste expeditie op pad: marconist Muller, co-piloot Hofman en een van de passagiers. Zij vonden niets. Hofman bleef onderweg achter met volledig verbrande voetzolen, omdat hij zonder schoeisel door het gloeiende zand had gelopen, en strompelde pas de volgende ochtend het kamp binnen.
De radio van de Douglas was uitgevallen. Muller haalde het toestel uit het wrak en kreeg het na uren werken aan de praat. Twee minuten lang zond hij op de 45 meter golf een S.O.S. uit met hun laatst bekende positie, toen was de accu leeg. Het signaal werd opgevangen, maar niet door vrienden: tweeënhalf uur later wierp een viermotorige Japanse vliegboot vijf bommen op het wrak, die alle misten. Diezelfde dag overleed boordwerktuigkundige Joop Blaauw.
Het water raakte op. Van Romondt bouwde uit onderdelen van de Douglas een destillatietoestel, stookte het op benzine uit de tanks en maakte zo van zeewater drinkwater. Dat apparaat heeft de groep vermoedelijk gered. Ondertussen vertrokken steeds nieuwe ploegen te voet naar het zuiden, onder wie sergeant Gerrits, die bij vollemaan alleen wilde gaan.
Johannes, het zoontje van Maria van Tuyn, was niet meer te redden. Het kind ijlde voortdurend en bezweek kort daarop. De mannen wikkelden het lichaam in de parachute van een van de militairen en begroeven het in het duinzand, bij een korte en sobere plechtigheid.
De ploeg van Cramerus, Brinkman, Muller en Van Romondt kwam wél ergens. Van Romondt en Muller konden door hun verbrandingen niet verder; Cramerus en Brinkman liepen door en zagen bij een groepje bomen een Aboriginal man staan, die er meteen vandoor ging, wat hij meende met Japanners te maken te hebben. Toen zij hem in het Engels aanspraken keerde hij terug, gaf hun te eten en liep vooruit naar de missiepost Beagle Bay. Van daaruit werden ook de RAAF en de KNILM gealarmeerd.
Op het strand merkten zij daar op 9 maart het eerste van. Twee vliegtuigen met de ringen van de Australische luchtmacht daalden tot vlak boven de grond en wierpen water, voedsel en sigaretten af, met drie handgeschreven briefjes. Een daarvan luidde: “Relief party be with you tonight with food & medical supplies. Good luck. MacDonald RAAF.” Het derde wenste hun succes en voegde daaraan toe dat de Japanners konden barsten, ondertekend met “de vent die deze dingen liet vallen”.
Die nacht arriveerden de redders met muildieren: broeder Richard, een Duitse geestelijke van de katholieke missie in Beagle Bay, en de Australische onderofficier sergeant-major Clinch. De broeders waren bij het uitbreken van de oorlog met Duitsland geïnterneerd geweest en hadden vergunning gekregen naar hun werk terug te keren. Sergeant-vlieger Van den Burg sprak onderweg Duits met de geestelijke.
Om vier uur ’s ochtends vertrokken zij. Het was een klein eindje naar de muildieren, zei Clinch, misschien drie mijl; broeder Richard verbeterde dat naar een goeie twee. Na vijf uur lopen was het volgens de gidsen nog altijd ruim twee mijl. Smirnoff hoorde later dat zij die nacht tweeëntwintig mijl hadden afgelegd. Hij schreef dat hij die tactiek pas achteraf kon waarderen: hadden zij geweten wat er van hen gevraagd werd, dan waren zij nooit van dat strand vertrokken.
Met muildierwagens en, na vastgelopen vrachtwagens op een deplorabele weg, uiteindelijk per truck bereikten zij de missiepost. De broeders gaven wat zij hadden; kleren konden zij niet missen, daarvoor stond de nederzetting er zelf te slecht voor. Smirnoff heeft er in zijn officiële rapport op aangedrongen deze mensen daarvoor te gedenken. Via Broome vlogen de overlevenden daarna naar Port Hedland en vandaar per vliegboot naar Perth.
In april 1942 borg de RAAF het toestel gedeeltelijk. Het wrak zakte langzaam weg in het zand en bleef nog decennialang bij laag water zichtbaar, tot het rond 1970 met dynamiet werd opgeblazen. Een vleugeltip met kogelgat bleef bewaard en kwam in een museum terecht. Verspreide resten liggen er nog altijd. Een stuk aluminium van de romp is meegenomen door Daan Hendriksz. Op het fragment is de inscriptie “1e lt-vlg/wnr D.A. Hendriksz – ml-knil – pk-afv” aangebracht.
In Bandoeng wist Jacqueline Hendriksz dagenlang niet wat er met haar man was gebeurd. Kort daarna werd zij door de Japanners geïnterneerd. Daar, in gevangenschap in Garroet, een dorpje in de bergen bij Bandoeng, werd hun zoon Daan geboren. Moeder en kind kwamen pas vrij bij de bevrijding in augustus 1945 en vertrokken in 1949 naar Nederland.
Daan heeft zijn vader nooit gekend.
De Nederlandse slachtoffers van 3 maart 1942 werden aanvankelijk in Australië begraven. Vanaf 1950 zijn veel van hen overgebracht naar Indonesië. Het stoffelijk overschot van Hendriksz werd, op verzoek van Jacqueline, via Perth naar Jakarta gebracht. Daar kreeg hij zijn laatste rustplaats op het Ereveld Menteng Pulo, een erebegraafplaats met ongeveer 4.300 graven van militairen en oorlogsslachtoffers. Zijn graf bevindt zich in vak C, rij 7, nummer 122.
Op de Perth War Cemetery in Karrakatta staat in de Dutch Annexe het Netherlands Memorial, opgericht door de Australische regering ter nagedachtenis aan de Nederlandse militairen, vrouwen en kinderen die op 3 maart 1942 bij Broome omkwamen. Voor Hendriksz lag daar lange tijd een eigen bronzen gedenkplaat. Daarop stonden, onder het Nederlandse wapen en de woorden “In memory of”, zijn naam en rang met de data 25 december 1915 en 3 maart 1942, en daaronder het devies van het ML-KNIL: “De Geest Overwint”.
Die plaat is in maart 2016 verwijderd door de Office of Australian War Graves, namens de Commonwealth War Graves Commission en in overleg met de Oorlogsgravenstichting, nadat was vastgesteld dat hij als enige van de slachtoffers niet in Perth ligt begraven maar op Menteng Pulo. Wie de plaat daar ooit had laten aanbrengen, is bij de Oorlogsgravenstichting niet bekend. Hendriksz wordt daarnaast herdacht op het Allied War Memorial in Broome.
De stenen waren op weg naar een vertegenwoordiger van de Commonwealth Bank in Australië. Over de herkomst lopen de bronnen uiteen. Genoemd worden de Bandoengse firma N.V. De Concurrent en De Javasche Bank. Volgens onderzoek dat door ABC News is aangehaald, ging het om de voorraad van een joodse diamanthandel uit Amsterdam, die deze vóór de Duitse bezetting naar Nederlands-Indië had laten brengen om de stenen buiten het bereik van de nazi’s te houden. In maart 1942 was die lading daarmee voor de tweede keer op de vlucht.
Strandjutter Jack Palmer vond het pakket bij het wrak. Medio april 1942 meldde hij zich bij het legerhoofdkwartier in Broome en gooide daar zo’n vierduizend diamanten over het bureau van majoor Clifford Gibson. In totaal wisten de autoriteiten ruim 6.130 stenen te achterhalen, samen getaxeerd op £20.447, ongeveer zeven procent van de geschatte waarde. Hoeveel stenen er oorspronkelijk in het pakket zaten, is nooit vastgesteld.
Palmer stond in mei 1943 met twee anderen terecht voor het Hooggerechtshof in Perth. Alle drie werden vrijgesproken. Het overgrote deel van de lading is nooit teruggevonden.
Smirnoff zelf hoorde pas weken later wat hij had vervoerd. Op het vliegveld van Melbourne stapte een correct geklede heer op hem af, die zich voorstelde als directielid van de Australian Commonwealth Bank en om het pakket vroeg. Het was gebleven in de strijd, antwoordde Smirnoff. De bankier werd doodsbleek. Pas toen vroeg Smirnoff wat erin had gezeten. Niets bijzonders, kreeg hij enigszins schamper te horen: niet meer dan een paar diamanten ter waarde van vijfhonderdduizend gulden.
In 2016 was Bert van Willigenburg, een gepensioneerd monteur uit Barneveld die al decennialang onderzoek doet naar het KNIL en de marineluchtvaartdienst, gastspreker bij Museum Bronbeek in Arnhem. Daar raakte hij in gesprek met Daan Hendriksz. Hij besloot het leven van diens vader uit te zoeken, vond zijn staat van dienst terug in het Nationaal Archief in Den Haag en zette zich in voor postume erkenning.
Op 24 november 2023, ruim 81 jaar na het sneuvelen van zijn vader, ontving Daan Hendriksz op het hoofdkwartier van de Koninklijke Luchtmacht in Breda het Mobilisatie-Oorlogskruis, postuum toegekend aan Danilo Alexander Hendriksz. De onderscheiding werd uitgereikt door generaal-majoor Robert Adang, plaatsvervangend Commandant Luchtstrijdkrachten. Daan, toen 81 jaar oud, wist vooraf van niets. Hij zei achteraf ervan overtuigd te zijn dat zijn vader, als hij de crash had overleefd, nog van grote waarde zou zijn geweest voor de Nederlandse krijgsmacht.
In 2024 keerde de driftmeter van de Pelikaan terug naar Nederland. Het navigatie-instrument, in 1938 in Duitsland gemaakt, was 82 jaar lang bewaard door de familie Augustine uit Beagle Bay, wier voorouders bij de redding betrokken waren. Henry Augustine, een Nyul Nyul en Jabirr Jabirr man, overhandigde het op de basisschool van Beagle Bay aan de Nederlandse ambassadeur Ardi Stoios-Braken. Zijn overleden moeder had gewild dat het stuk terugging naar de rechtmatige eigenaren. Namens Nederland namen Martijn Manders en Bas Kreuger van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed het instrument in ontvangst voor de rijkscollectie. Het is in langdurig bruikleen gegeven aan het Aviodrome.
Op de plek van de noodlanding, tegenwoordig bekend als Smirnoff Beach, staat het Diamond Dakota Monument: een kruis op een sokkel bekleed met parelmoertegels, met plaquettes aan voor- en achterzijde, naar een ontwerp van Olaf van Loon. Het herdenkt zowel de burgers uit het voormalige Nederlands-Indië als de militairen in Nederlandse dienst die hier omkwamen.
In juni 2013 werd het monument herbouwd door militairen van het 1st Construction Squadron van het Australische genieregiment en het Kimberley Squadron van de North-West Mobile Force, met steun van de Nederlandse ambassade in Canberra, de Shire of Broome en het West-Australische Department of Indigenous Affairs. Een bronzen plaquette op de sokkel legt dat vast.
De plek ligt afgelegen, op het land van de Nyul Nyul en Jabirr Jabirr, bereikbaar via de Cape Leveque Road en alleen met toestemming van de gemeenschap. De Shire of Broome heeft haar in 2019 opgenomen in de gemeentelijke erfgoedinventaris. Het kruis staat er nog altijd, en wie de tocht maakt laat stenen en bloemen achter bij de sokkel. De familie Augustine hoopt bezoekers naar de plek te kunnen begeleiden, zodat het verhaal verteld blijft worden door de gemeenschap die er destijds bij was. Daarvoor moet de weg er wel eerst beter worden.
Ook in Broome zelf liggen nog sporen. In Roebuck Bay steken de wrakken van de vernietigde vliegboten, waaronder Catalina’s en Dorniers, bij laag water boven de waterlijn uit; bij een stand van 1,3 meter of lager zijn ze zichtbaar vanaf Town Beach. In Carnarvon Street herinnert een plaquette aan de aanval, en het Broome Museum aan Town Beach wijdt een deel van zijn expositie aan die ochtend.
Over deze gebeurtenis bestaan tientallen verslagen, en die spreken elkaar op punten tegen. Waar dat gebeurt, is in dit artikel het ooggetuigenverslag van gezagvoerder Iwan Smirnoff leidend. Hij was erbij, voerde het bevel over de groep op het strand en noteerde de passagierslijst zelf.
Op zijn gezag houdt dit artikel aan dat Danilo Hendriksz op 3 maart 1942 overleed, enkele uren na de noodlanding, en niet op 4 maart zoals verschillende latere publicaties schrijven. Diezelfde datum staat in de officiële registratie en stond op zijn gedenkplaat in Perth. Verder: twaalf inzittenden, vier bemanningsleden en acht passagiers onder wie één kind van anderhalf jaar; Blaauw als boordwerktuigkundige en dus bemanningslid; en Hofman als schrijfwijze van de naam van de co-piloot, die elders ook als Hoffman voorkomt.
Samengesteld door KEINA-lid Maarten C. Smit